«Dat Christus ons “samen” tot het eeuwige leven mag leiden”
(RB 72, 12)
Een monastieke gemeenschap is niet een “veilig, rustig onderdak!”. Het monastieke leven is als een lange weg waarop je zowel geconfronteerd wordt met de leegte en eenzaamheid van de woestijn als waar je soms oases aantreft.
In een communiteit is ook ieder uitgenodigd een liefdevolle aandacht te hebben voor zijn zusters en broeders, niet omdat zij ons behagen, maar omdat God ze ons heeft gegeven om ‘samen’ Hem te zoeken tot de dag van de uiteindelijke ontmoeting.
Zoals de handen van Mozes werden ondersteund door Aaron en Choer, opdat Mozes ze naar God kon richten, zo herinnert een ieder in zijn leven zich momenten, waar,
vol twijfel, men door een zuster of broeder werkelijk bemoedigd, geholpen werd, waar je ervaarde “hoe goed is het, hoe heerlijk, om als broeders samen te leven” (Ps. 132)
Deze “gemeenschappelijke weg” krijgt een heel bijzonder karakter op de dag van de professie. Nadat de geprofeste zuster of broeder op het altaar het document heeft neergelegd waarop zij haaar eeuwige professie heeft geschreven, erkent de communiteit deze zuster of
broeder als één van hen en zijn ze in het vervolg verantwoordelijk voor elkaar, om elkaar te helpen trouw te zijn op de weg naar de Heer. ‘We moeten allen samen bij de Heer aankomen’ dat is de zorg die steeds weer in ons leven aanwezig moet zijn : niet alleen mijn eigen geluk, maar ook dat van mijn broeders en zusters ; ik moet niet alleen bij God aankomen, maar «dat Christus ons “samen” tot het eeuwige leven mag leiden” !